Rembrandts Leidse leven in het kort
Familie
Begin zeventiende eeuw lag de Weddesteeg aan de rand van de stad. Vanuit zijn huis keek Rembrandt tegen een muur met daarachter de eigenlijke stadsmuur. De ruimte tussen beide muren was gevuld met aarde en bovenop deze wal stonden twee molens. Beide molens waren verbonden met Rembrandts familie. Zijn grootmoeder Lysbeth Harmensdr., wier man kort voor of tijdens het beleg was overleden, vroeg op 23 november 1574 toestemming een molen op de wal bij de Weddesteeg te bouwen, ‘ter plaetse daer de Pellecaen plach te staen'. Krap een jaar later liet zij een tweede molen op de stadswal plaatsen, net ten noorden van de stadspoort, ‘aan de wallen besijden de Witte Poort noortwaerts'. Haar aandeel in de eerste molen werd verkocht. Zij was inmiddels hertrouwd met molenaar Cornelis Claesz.van Berckel. Omdat de nieuwe molen geen woonruimte bood, betrokken Lysbeth en Cornelis een huis in de Weddesteeg.
Lysbeths zoon Harmen Gerritsz. van Rijn trouwde in 1589 met Neeltgen Willemsdr. van Zuydtbroeck, een welgestelde bakkersdochter. In datzelfde jaar kocht Harmen de helft van de molen van zijn stiefvader en een huis in de Weddesteeg. Hier werd Rembrandt geboren, de negende van tien kinderen. Harmen bemaalde zijn molen samen met zijn stiefvader. Dat was niet ongewoon, want molens waren vroeger bij voldoende wind dag en nacht in bedrijf. De familie Van Rijn maalde mout, de belangrijkste grondstof voor het brouwen van bier.
Rembrandt had veel familie in de buurt wonen: zijn grootmoeder, een tante, een oudtante en later ook een broer en een zus. Het was in de zeventiende eeuw gewoon dat verwanten in dezelfde wijk woonden. Vlakbij de brug over de Witte Singel aan uw rechterhand, tussen de Haagweg en het Galgewater, had een aantal familieleden een tuin. Vlak voor zijn vertrek naar Amsterdam kocht ook Rembrandt hier een ‘tuinperceel' voor zijn moeder en zijn twee ongetrouwde zussen.
Molenaar lijkt een eenvoudig beroep, maar de vader van Rembrandt was een vrij vermogend man. Uit de nalatenschap van Rembrandts moeder blijkt dat zij, behalve de moutmolen, verscheidene kavels met huurwoningen aan de Rijn in haar bezit had. Zijn vader had de percelen gekocht toen Rembrandt een jaar of vijf was. Dat molenaar Van Rijn in aanzien stond, blijkt uit het feit dat hij van 1602 tot 1624 ‘heer', een door het stadsbestuur benoemd hoofd, was van de gebuurte Pellecaenshouc, het deel van de wijk Noord Rapenburg waar de familie woonde. Later zou Rembrandts broer Adriaen deze functie ook bekleden.
Leiden groeit
Opleiding
In 1620 werd Rembrandt ingeschreven aan de universiteit, maar waarschijnlijk is hij er nooit student geweest. Hij was toen pas veertien jaar oud, terwijl de gebruikelijke leeftijd voor een beginnend student zeventien jaar was. Inschrijving aan de universiteit leverde wel een aantal voordelen op, waaronder belastingvrij bier en wijn én vrijstelling van dienst bij de schutterij. Wat de precieze reden voor zijn inschrijving ook geweest mag zijn, Rembrandt wilde liever schilder worden. In datzelfde jaar 1620 ging hij daarvoor in de leer.
Jacob Isaacszn. van Swanenburgh was Rembrandts eerste leermeester. Van Swanenburgh was befaamd om zijn hellevoorstellingen, druk bevolkte, angstwekkende schilderijen. Rembrandt begon zijn leertijd omstreeks november 1620 en bleef tot oktober 1623. In de zeventiende eeuw bedroeg de gemiddelde leertijd drie jaar. Rembrandt zal bij Van Swanenburgh alles hebben opgedaan wat nodig was om schilder te worden: kennis van de verschillende materialen, hoe een paneel van grondlagen moest worden voorzien, het mengen van de verf, het werken met een palet en de fijne kneepjes van de tekenkunst. Toch koos hij ervoor om zich na zijn leertijd niet direct als zelfstandig kunstenaar te vestigen. Eerst vervolmaakte hij zich een half jaar in het atelier van de Amsterdamse historieschilder Pieter Lastman. In mei 1624 keerde hij terug naar Leiden.
Rembrandt en Lievens
De schilderijen uit de Leidse jaren van Rembrandt en Lievens vertonen zoveel overeenkomsten in stijl en onderwerpskeuze dat zij wel samengewerkt moeten hebben. Ook hebben ze elkaar bij gelegenheid geportretteerd. Er is vaak geopperd dat de twee kunstenaars een atelier deelden, maar deze gedachte is nog altijd niet meer dan een hypothese. In 1628 werden Rembrandt en Lievens in hun ateliers bezocht door de beroemde Constantijn Huygens, de secretaris van stadhouder Frederik Hendrik van Oranje. In zijn autobiografie, waar hij tot 1631 aan werkte, presenteert hij de jonge schilders nadrukkelijk als ‘een jong en edel schildersduo'. Huygens was getroffen door de kwaliteit van hun kunst. Zijn autobiografie is de oudste bron over de jonge Rembrandt.
Bovendien was het vermoedelijk Huygens die de beide jonge kunstenaars introduceerde aan het stadhouderlijk hof van Fredrik Hendrik en Amalia van Solms in Den Haag. De stadhouder kocht verschillende schilderijen van Rembrandt en Lievens. De eerste aankopen dateerden uit 1628-1629. Tot 1633 kreeg Rembrandt zeker dertien opdrachten van Frederik Hendrik.
