Knooppunt-historische-vaawe
  • Knooppunt Historische Vaarwegen
  • Historische Vaartochten vanuit Leiden
  • Geschiedenis
  • Meer waterinfo
  • Adres/Route
  • Mogelijk gemaakt door:
CTV Zuid-Holland Pakketjeweg Groepswijzer.nl LadiesWalk EventSupport Arrangementenmolen Knooppunt Historische Vaarwegen KennisPub(lieks)Quiz Leiden Whiskytrail Evenementenkalender 2011 Schemerbruggen 2011 Bokkenwandeling Leiden Evenementenkalender 2012 Fietsopstappunten Het TalentenJacht Leiden 2011 Schemerstad Singelpromenade Nacht van Rembrandt Leidse Waterdagen Leidse Draaiorgeldag Rembrandt1606
Logovaarwegenplus

Het Hollandse water door de eeuwen

  • De Romeinen
  • Middeleeuwen
  • De zeventiende eeuw
  • De negentiende eeuw
  • Waterlinies

De Romeinen

De limes was de uiterste grens van het gigantische Romeinse Rijk. Deze grens liep in ons land langs de Rijn, waarmee Katwijk dus het uiterste punt was van het Imperium Romanum op het Europese continent.
In 47 na Christus werd op bevel van de Romeinse veldheer Corbulo een kanaal gegraven tussen de Rijn en de Maas, via de stad Forum Hadriani (nu Voorburg). Dit kanaal had een lengte van 34 km en maakte patrouilles en bevoorrading in het kustgebied eenvoudiger; met dit nieuwe kanaal werd varen over zee vermeden. Sinds het eerste Romeinse kanaal heeft er altijd een druk bevaren verbinding bestaan langs deze route.

Het kanaal verbindt de steden Leiden en Den Haag met elkaar en was daarmee belangrijk voor de handel tussen deze steden.

Terug

Middeleeuwen

De Delftse Vliet werd in de 12e eeuw gegraven om handel en vervoer vanuit Delft naar Rijswijk te bevorderen. Via Rijswijk werden ook Den Haag en Leiden voor de handel bereikbaar.
Nadat deze eenmaal gegraven was, ontstond in de omgeving van de Delftse Vliet steeds meer bedrijvigheid. Molens, werkplaatsen en opslagplaatsen voor handelswaar vestigden zich aan de Vliet.
Ook droeg de Vliet bij aan de ontwikkeling van Rijswijk. Producten van veeboerderijen en turfstekerijen uit Rijswijk konden via dit kanaal afgezet worden in Delft en Den Haag. De Delftse Vliet is onderdeel van het huidige Rijn-Schiekanaal.

 

In 1324 werd in de Vliet een dam gebouwd, om Delft te beschermen tegen overstromingen. Omdat de dam voor schippers een obstakel was, werd er een overtoom gebouwd. Dit is een bouwwerk van lieren en boomstammen waarmee schepen over de dam getrokken werden. Dit zorgde voor veel tijdverlies en voor files bij de dam. Later werd er daarom een sluis in de dam geplaatst, waarmee een snelle doorvaart mogelijk werd. Door sluisgeld te heffen, vaarde het ontstane stadje bij deze sluis er wel bij. Steden aan rivaliserende handelsroutes zagen hun inkomsten uit stapelrecht en sluisgelden dalen en verwoestten de sluis van Leidschendam.

 

Het Rijn-Schiekanaal is de verbinding tussen de Schie (bij Rotterdam) en de Oude Rijn (bij Leiden). Het kanaal bestaat uit onder andere de Delftse Schie, de Delftse Vliet, de Haagsche Vliet en de Vliet. Een deel van deze vaarroute werd al door de Romeinen uitgegraven.
In de 14e eeuw groeven de Hollanders de Schie tussen Rotterdam en Delft verder uit, om deze steden met elkaar te verbinden. Via de Schie en de Vliet, konden schepen nu vanaf Rotterdam, via Delft en Den Haag, naar Leiden varen. Hiermee werd een belangrijke verbetering van de (water)infrastructuur gerealiseerd. Dordrecht verloor haar positie als belangrijkste handelsstad en het zwaartepunt van de vaarroutes verplaatste zich naar het westen.

Terug

De zeventiende eeuw

Door de groeiende economie ontstond de behoefte aan regelmatige verbindingen tussen de steden. Zeilschepen gingen op vaste tijden en via een vaste vaarroute varen (beurtvaart). In de 17e eeuw ontwikkelde dit zich tot door paardenkracht voortgetrokken trekschuiten langs de belangrijkste vaarroutes. Hiermee werd men voor vervoer van post en personen minder afhankelijk van de weersomstandigheden.
Het pad op de wal waar de paarden liepen, werd het jaagpad genoemd. Trekschuiten stonden bekend om hun stiptheid en als betrouwbaar vervoersmiddel om van stad naar stad te komen. Vanaf 1630 werden door handelssteden talloze trekvaarten gegraven waarop enkel de trekschuiten mochten varen. Het gewone vrachtverkeer werd hier niet toegelaten. Pas in de 19e eeuw kwam een einde aan de populariteit van dit vervoersmiddel toen de snellere spoorlijnen de trekschuiten wegconcurreerden.

 

Omdat de oude haven van Delft te klein werd, is men in 1614 begonnen met het uitgraven van De Kolk. De toenemende handel in Delft maakte het noodzakelijk dat meer en grotere schepen hier konden aanleggen. De schepen voerden toen vanuit de Kolk via de Delftse Schie naar Delfshaven, bij Rotterdam.
Aan de Kolk zat veel industrie, die profiteerde van de nabijheid van de haven. Naast de lakenindustrie en de bierbrouwerijen, kwamen in die tijd ook de Delftse aardewerkfabrieken van de grond. Als voorbeeld voor beroemd Delfts Blauw aardewerk werd het Chinese porselein gebruikt dat de VOC binnenvoerde.
De Kolk is door Vermeer vereeuwigd op het beroemde schilderij ‘Gezicht op Delft' uit 1660-1661.

Terug

De negentiende eeuw

Vervoer over water, zowel van personen als van goederen, zou tot ver in de 20ste eeuw een belangrijke vorm van transport blijven. Reguliere verbindingen met Delft en Haarlem bestonden al in de 17e eeuw. De toevoer van goederen vanuit het achterland naar de stadsmarkt is van nog veel ouder datum. De trekschuit was in de 19e eeuw een belangrijk vervoermiddel en wist zelfs Hildebrand in zijn Camera Obscura te inspireren tot een heel hoofdstuk; hoewel hij niet altijd even opgetogen was over deze vorm van transport:

"Voor zoover de trekschuit aanbelangt, heb ik mijn gevoelen reeds, half verraden. 't Is waar, men kan er in lezen, domino spelen, dammen en, zoo de schipper inkt aan boord heeft en gij eene pen hebt medegebracht (want de zijne is tot boven toe zwart), zelfs schrijven [...]. Dan is er iets weeheidaanbrengends in de beweging der schuit, dat uw belangrijkst boek vervelend maakt, en uw esprit de jeu verflauwen doet,--maar vooral is er in de trekschuiten een praatgenius van een ellendig soort. De schuitpraatjes bestaan geregeld uit dezelfde ingrediënten en vallen eenstemmig in denzelfden toon. Schuitanecdoten zijn volkomen onverdragelijk; en dan dat afgrijselijk dikwijls herhaald gevraag: "hoe ver zijn we al, schippertje?" en het eeuwige: "dat betalen moest je afschaffen", als de man om zijn geld komt [...]."

Terug

Waterlinies

In Zuid-Holland bevinden zich delen van twee waterlinies: de 17de-eeuwse Oude Hollandse waterlinie en de 19de-eeuwse opvolger, de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Beide linies zijn aangelegd om het politiek-bestuurlijk en economisch machtcentrum van het land te verdedigen. Eigenlijk zijn de Oude en Nieuwe Hollandse Waterlinie niet twee afzonderlijke linies, maar vormen zij samen één  verdedigingslinie. Kenmerk voor de linie is het inzetten van water ter verdediging. Door te inunderen tot kniehoogte, kon transport van oorlogsmaterieel niet plaatsvinden en waren de overstroomde gebieden evenmin bevaarbaar.

Na de inname van Brielle (1572), Alkmaar (1573) en Leidens ontzet (1574) gaf prins Maurits in 1588 opdracht aan de Staten van Holland en Utrecht om een systeem van offensieve inundatie te ontwikkelen, dat liep van de Zuiderzee naar de grote rivieren. Het ontwikkelde plan werd in 1629 deels in werking gezet door prins Frederik Hendrik. In het systeem was de Grebbelinie van het grootste belang, de Hollandse Waterlinie fungeerde als achtervang.
In 1672 werd het systeem op de proef gesteld toen de Fransen komende vanaf de Veluwe op wilden rukken naar Holland. Voor zij zouden doorstoten, besloten de Fransen zich in Utrecht te hergroeperen. Hierdoor werd het mogelijk de Oude Hollandse Waterlinie in stelling te brengen en de landen te inunderen. De inundatiezone die in breedte varieerde van 3 tot 20 km, hield de Fransen tegen, maar zorgde voor veel economische schade nadien. Het duurde namelijk jaren voor de landerijen weer hun oorspronkelijke productiviteitsniveau bereikten. 

De grootste vijand van het verdedigingssysteem was de vorst. IJsvorming stelde de Fransen in 1794 in staat de linie te passeren. Cornelis Krayenhoff (1758-1840) werd gevraagd de Oude Hollandse Waterlinie te analyseren en met verbeteringsvoorstellen te komen. Hij stelde voor de stad Utrecht achter de linie te brengen en rond de stad een krans van forten aan te leggen ter verdediging. Het plan van Krayenhoff is het tweede decennium van de 19de eeuw tot uitvoering gebracht: de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Van deze linie loopt maar een klein deel over Zuid-Hollands grondgebied.

Van de Oude Hollandse Waterlinie is Wierickerschans het enige overgebleven fort.

Terug
Core Application © 2006-2008 MVL Webdesign